Beautiful burn-out

Beautiful burn-out

“Eh ja, de huisarts wil dat ik deze week thuis blijf. Ik mag geen aspirines meer nemen maar moet bewust m’n hoofdpijn gaan voelen.” Zo meldde ik me een paar jaar geleden ziek bij m’n leidinggevende. Het voelde, op de hoofdpijn na dan, eigenlijk wel lekker. Ik had ‘toestemming’ om een week thuis te zijn. En na die week zou ik gewoon weer aan het werk gaan.

Maar zo ging het niet. Natuurlijk niet. Na die week voelde ik pas écht hoeveel hoofdpijn ik had, hoe moe ik was en hoe weinig energie ik had. En dat was vreemd. En raar. Zo was ik niet. Dat het me inderdaad even teveel was geworden, dat besefte ik wel. En dat het meer tijd kostte, kreeg ik ook wel door. Ik noemde mezelf “overspannen”.

Maar burn-out? Nee joh, echt niet. Dat was te erg, te heftig. Dat hadden anderen. Daar was het veel erger. Niet toegeven. Mezelf compleet ontkennen. Wie ik was, op dat moment. Want ja, ik had wél een burn-out. En ja, het was erg. En heftig. Ik moest toegeven aan mezelf: “Agnes, jij hebt een burn-out”.

Vreselijk om te moeten toegeven. Ik schaamde me rot. Had gefaald. Ik een burn-out? En vooral, al die anderen? Wat zouden die er wel niet van zeggen, van vinden? Echt vreselijk…

Maar toch… het hielp. Toegeven dat ik een burn-out had. Aan mezelf. Het gaf lucht. En ruimte. Hetzelfde gevoel als toen bij de huisarts: Ik gaf ‘toestemming’ aan mezelf. Het was oké. Ik, Agnes, had een burn-out. Punt. Ik ging het benoemen. Hardop zeggen, tegen anderen. Dat ik een burn-out had. En écht, dat hielp. Het voelde op een vreemde manier fijn. Omdat ik mezelf erkende. In wie ik was op dat moment. De Agnes diep in mij zuchtte: “Eindelijk!”

Beautiful burn-out. Zo noem ik het nu. Achteraf. Niet als je er middenin zit. Zeker niet. Dan is het heftig. Zwaar. En het maakt je misschien wel boos. Als je dit leest. Geïrriteerd. Snap ik. Zo voel jij het nog niet. Maar ik noem het wél zo.

Beautiful burn-out. Bracht me terug. Bij mezelf. Bij wie ik écht ben. Wat ik belangrijk vind. Wat ik wil. Waar ik blij van word. Moeilijk? Vreselijk? Diepe dalen? Zeker. Nieuwe keuzes moeten maken. Loslaten. Mensen en taken. Dingen en rollen. Zowel privé als werk. Moeilijk. Maar nodig.

Beautiful burn-out. Thank you. Ik ben er weer. Ik ben weer ik.

Ik ben het zat!

“Ik ben het zat! Ik ben het zo ontzettend zat. Altijd maar rennen en vliegen, altijd maar voor een ander klaarstaan, altijd maar van alles te “moeten”. Ik wil dit niet meer! Ik kan dit niet meer!”

Ze zit tegenover me. Snuit haar neus. Droogt haar tranen. Schokt na met haar schouders. Ik zie haar voor de derde keer vandaag. Zag het aankomen. Zag het gebeuren. Herkende het.

Ook zij doet het…
Zichzelf wegcijferen. Zichzelf aanpassen. Altijd vooraan staan. De lat hoog leggen. Niets willen missen. Niet toe willen geven. Dat het niet meer gaat. Niet meer lekker loopt. Geen tijd hebben. Geen energie. Voor wat dan ook. Alles maar half doen. Daar van balen. Niet goed genoeg.

Want eigenlijk wil ze…
Zich oké voelen. Over zichzelf. Over wat ze doet. Dat goed genoeg is. Tijd hebben. Voor zichzelf. Haar gezin. Vrienden en familie. Lekker in haar vel zitten. Vol energie. Blij zijn met zichzelf. Wie ze is. Wat ze doet. Wat zij wil. Haar keuze. En trots zijn. Op zichzelf!

De spiegel.
Ik houd hem haar voor. Het is moeilijk. Kwetsbaar. Confronterend. Pijnlijk. Emotioneel. En daarna… Makkelijker. Bewuster. Opluchting. Bevrijdend. En emotioneel.

Ze zit tegenover me. Snuit haar neus. Droogt haar tranen. Ik zie haar voor de laatste keer vandaag. Zag haar groeien. Zag haar bloeien. Zag het gebeuren. Herkende het.

Daar gaat ze…
De deur uit. Vol zelfvertrouwen. Zelfbewustzijn. Tevreden met zichzelf. Blij met zichzelf. Kiezend voor zichzelf. Een mooiere versie. Een completere versie. Een bewustere versie. Van zichzelf!

Mam, kom je ontbijten?

Ik schrik, was even in gedachten verzonken. Ik spuit een beetje parfum achter m’n oren en op m’n polsen en werp een laatste blik in de spiegel. En het bevalt me wat ik zie. M’n gezicht, m’n haren, m’n groene ogen, m’n sproeten. Een mooie, zelfbewuste vrouw. Een vrouw die ik ken, een vrouw die ik herken. De vrouw die ik bén! Ik kijk nog eens, glimlach naar m’n spiegelbeeld, recht m’n schouders, knik mezelf trots toe in de spiegel en met ferme tred loop ik de badkamer uit, de trap af.

Want een jaar eerder…

sta ik ook voor de spiegel en zie ik mezelf, mijn spiegelbeeld. Ik zie m’n gezicht, m’n haren, m’n groene ogen en m’n sproeten. Ik kijk… en ik zie het… ik zie het écht wel. Ik zie dat ik het ben; het is mijn gezicht, het zijn mijn haren, mijn groene ogen en mijn sproeten. Ik kijk nog een keer en voel de paniek in me opkomen. M’n hartslag gaat sneller, m’n ogen worden groter en m’n handen worden klam. Ik slik. En ik slik nog een keer. Weer kijk ik in de spiegel. Ik wacht op het antwoord, terwijl ondertussen m’n ademhaling steeds sneller en onregelmatiger gaat. Ik hoop tegen beter weten in, dat het antwoord toch nog komt, ook al is dat de afgelopen maanden niet gebeurt. Ik voel een traan opkomen. En nog één en nog één… M’n lip begint te trillen en ik blijf in de spiegel kijken, tegen beter weten in. Het spiegelbeeld wordt wazig en troebel, door de tranen…. En dat is precies hoe ik me voel; wazig en troebel. Want… wie is deze vrouw? Wie is dit spiegelbeeld? Ik wéét dat ik het ben, maar ik ken haar niet meer. Ik ben haar kwijt! Waar is ze gebleven? Die krachtige, zelfbewuste, alles aankunnende vrouw? Waar is ze en wie is deze vrouw? Ik ken en herken mezelf niet… en de tranen blijven stromen en ik geef me eraan over…
Ik loop de woonkamer in. “Wat zie je er mooi uit, mam!” zegt m’n ene zoon. “En wat ruik je lekker!” zegt m’n andere zoon.

En ik glimlach. Ik glimlach, omdat ik me mooi voel, omdat ik me trots voel. Ik heb m’n burn-out “verslagen”. En als ik in de spiegel kijk, zie ik de vrouw die ik kén! De vrouw die ik bén!